Hieronder vindt u een overzicht van veel gestelde vragen over de Participatieladder? Staat uw antwoord er niet bij? Neem dan contact op met projectleider Evert Jan Slootweg:
Stuur een e-mail naar: eslootweg@divosa.nl
of bel: 06-139 348 61.
Klik op een vraag om het antwoord te lezen.
Sinds 2009 werken alle Nederlandse gemeenten met één participatiebudget voor re-integratie, inburgering en educatie. Daarbij rijst in veel gevallen de vraag of er voldoende inzicht bestaat in de doelgroepen van beleid; in hoeverre doet men al mee? Welke vragen zijn er naar basisvaardigheden? Wat zijn hun mogelijkheden en in wie investeert de gemeente? Wat levert dat na een jaar op? Daarop geeft de Participatieladder een antwoord. Een nieuw vraagstuk voor gemeenten en maatschappelijke organisaties is : hoe kan de inzet van het Participatiebudget worden gekoppeld aan andere budgetten, zoals WMO, het te decentraliseren deel AWBZ en Jeugdhulpverlening ? Allerlei gemeenten experimenteren met oplossingen op deze vraagstelling, waarbij de Participatieladder vaak als verbindend element functioneert, waardoor tussen verschillende sectoren met één taal kan worden gesproken.
De Participatieladder meet daadwerkelijke participatie; in hoeverre doen burgers mee aan de samenleving? Missen zij daarvoor essentiële vaardigheden? Met behulp van een korte vragenlijst kunnen klantmanagers per cliënt de participatiegraad vaststellen en het ontbreken van (met name) taalvaardigheden registreren. Door dat regelmatig te herhalen kunnen gemeenten de resultaten van hun participatiebeleid over de volle breedte in kaart brengen.
De Participatieladder is ontwikkeld vóór en dóór gemeenten. Maar ook UWV Werkbedrijf en uitvoerders (re-integratiebureaus, ROC's en taalaanbieders) kunnen er gebruik van maken. De Participatieladder levert managementinformatie op, van klantmanager tot gemeentebestuur, waardoor inzicht ontstaat in de klantgroepen, de inzet van instrumenten en de resultaten die jaarlijks worden bereikt.
Voor 'Den Haag'. De Participatieladder is geen cijferlijst waarmee gemeenten zich moeten verantwoorden tegenover het Rijk. Ook is de Participatieladder niet direct bedoeld voor de financiële afdeling. In het basismodel; is geen ruimte ingevoerd voor de kosten van investeringen en/of lopende uitkeringen. Iedere gemeente hanteert hiervoor eigen administraties, definities en declaratievormen. Daarom is het praktischer om gemeenten de keuze te laten om al dan niet de financiële gegevens aan de ladder te koppelen. De Participatieladder is ook geen middel om het personeel te beoordelen. Het gebruiik van de ladder en het inzicht dat dit biedt, kan wel verschillen tussen inschattingen van medewerkers en mogelijk ook verschillen in resultaten in beeld brengen, maar is daarbij vooral een middel om dat te constaetren en te bezien waar (voor de medewerker) groei- en verbetermogelijkheden liggen.
De Participatieladder stelt niet alleen vast of mensen uiteindelijk een reguliere betaalde baan weten te vinden. Ook als iemand van een teruggetrokken bestaan de stap zet naar vrijwilligerswerk laat de ladder dat zien. Maar ook wordt duidelijk of er sprake is van laaggeletterdheid of een inburgeringsvraag en of er na verloop van tijd een certificaat op dat terrein is behaald. En wat men vervolgens daarna is gaan doen. Dat zijn immers allemaal resultaten die tellen.
Klantmanagers krijgen meer inzicht in hun eigen 'caseload'. In welke mate participeren hun cliënten in de samenleving? Bij wie ontbreken (taal)basisvaardigheden? Welke cliënten kunnen nog een trapje hoger op de ladder? In wie investeer ik met instrumenten? Leidt dat tot de gewenste resultaten? Wat missen wij in het aanbod van instrumenten om alle klanten met groeipotentieel op de ladder te laten stijgen? En, niet onbelangrijk: lijkt mijn inschatting van de klanten op die van mijn collega's? Behalen die ongeveer dezelfde resultaten?
Het management krijgt periodiek zicht op de vorderingen van de doelgroep als geheel. En ook op die van de verschillende subgroepen. Bovendien kunnen de 'caseloads' van afzonderlijke klantmanagers en tussen teams/afdelingen met elkaar worden vergeleken.
De wethouder en gemeenteraadsleden zijn zeer benieuwd naar de opbrengst van het participatiebeleid. De Participatieladder biedt bestuurders handvatten om in de meeste vragen op dat gebied snel en adequaat inzicht te krijgen.
De Participatieladder velt geen eindoordelen. Steeds als het participatieniveau wordt vastgesteld, wordt namelijk ook gekeken of de klant in kwestie via de juiste aanpak nog een stapje hoger op de ladder kan worden gebracht. Zo valt op den duur te zien bij welke groepen klanten extra inspanningen kans van slagen hebben.
In principe kunnen alle Nederlandse gemeenten met de Participatieladder uit de voeten. De participatiegraad van een cliënt is eenvoudig vast te stellen. De gegevens zijn vervolgens te verwerken in veel gebruikte cliëntvolgsystemen als GWS4all, RAAK, Stratech en IW3.
Sinds medio 2009 is de Participatieladder beschikbaar, nadat het model was getest in zes gemeenten. Op grond van de uitkomsten van die pilots is het model op details aangepast. Uw organisatie kan voor de implementatie inmiddels gebruikmaken van vele voorbeelden van implementatieplannen van eerdere gemeenten (zie Implementatie). Ook is er, indien gewenst, een webbased-invoermodulebeschikbaar die u bij de implementatie kunt gebruiken.
De Participatieladder in de huidige vorm is een gezamenlijk product van Regioplan (bureau voor beleidsonderzoek en -advies), de VNG en twaalf gemeenten: Alkmaar, Almelo, Amsterdam, Den Haag, Deventer, Eindhoven, Rotterdam, Schiedam, Sneek, Utrecht, Venlo en Zwolle. Eventuele wijzigingen worden besproken met alle gemeenten die deelnemen aan het project Participatieladder.
Voor zover er een duidelijke toekomst kan worden voorzien zijn 3 elementen duidelijk:
De Participatieladder kan tussen verschillende sectoren, die gericht zijn op bevorderen van deelname aan de samenleving, een goede verbinding bieden. Dat is gebleken uit tal van pilots en werkwijzen in Krachtwijken en in de Maatschappelijke Opvang. De ene taal, de transparantie gecombineerd met de focus op : resultaten behalen op participatiebevordering biedt al snel een gemeenschappelijk kader voor samenwerking. Het kan zijn dat een enkele aanpassing nodig is in het instrument om optimaal van nut te kunnen zijn voor bijvoorbeeld de Wet Werken naar Vermogen.
Het kan ook zijn dat inpassing van AWBZ-begeleiding of Jeugdhulpverlening tot nieuwe specificaties leidt. Waarschijnlijk hebben die aanpassingen vooral te maken met verfijning binnen de grondgedachte.
Wanneer het in beeld brengen en bevorderen van participeren de hoeksteen van het beleid blijft, is de Participatieladder daarin altijd dienstbaar en nuttig.