Het principe van de Participatieladder is simpel. Zes treden geven het participatieniveau aan. De onderste vier zijn voor mensen zonder een arbeidscontract. De bovenste twee voor mensen met regulier werk: met ondersteuning (trede 5) of zonder (trede 6). Wie op welke trede thuis hoort is overzichtelijk gedefinieerd en valt relatief eenvoudig vast te stellen.
Jaarlijks wordt ten minste één keer vastgelegd op welk niveau iemand thuishoort. Daarbij wordt ook gekeken of dat het maximaal haalbare niveau is, of dat de persoon in kwestie nog kan stijgen op de ladder.
Zes niveaus:
Uitleg trede-indeling (pdf, 174 kB)
Bij de meting gaat het om de antwoorden op vier vragen:
Wat de derde vraag betreft worden er negen klantkenmerken onderscheiden (waaronder bijvoorbeeld burgers met gemeentelijke uitkering, zonder uitkering, burgers met Inburgeringsplicht of laaggeletterdheidsindicatie).
De resultaten van de meting bieden een nuttig inzicht in de bestanden. Zowel voor de medewerkers van betrokken organisaties als de gemeente als financier. Door een tweede meting te doen wordt zichtbaar welke klanten gestegen zijn, welke gelijk gebleven en welke gedaald. De beweging van klanten wordt zichtbaar. De medewerkers kunnen zelf de vorderingen van hun klanten bijhouden. De gemeentelijke organisatie kan bovendien per klantgroep bekijken wat de resultaten zijn. Deze cijfers, bijvoorbeeld over de in- en uitstroom per trede, maken maatwerk in investeringen mogelijk.